Hoe leefden de indianen voor de komst van de Europese kolonisten?

afbeelding 1 De plek van de Beringstraat is omcirceld
Al duizenden jaren voordat Columbus aan kwam in Noord-Amerika leefden er volken. Zij zijn meer dan 14.000 jaar geleden aangekomen in Noord-Amerika. Via de Beringstraat (zie afbeelding 1) kwamen ze, vanuit Siberië, Alaska binnen. Van daaruit hebben zij zich in een paar duizend jaar verspreid over heel Noord-Amerika. 9000 jaar geleden was de doorgang verdwenen, onder andere doordat de zeespiegel steeg. Er waren drie 'groepen' indianen. De eerste groep was de groep van de Eskimo-Aleoeten. Zij drongen niet ver door in Amerika. Zij bleven in Alaska. De Athabasken leefden over de hele oppervlakte van Noord-Amerika. De paleo-Indianen drongen helemaal door tot Midden- en Zuid-Amerika.
5000 jaar geleden stabiliseerde het klimaat. Daardoor stabiliseerde ook de zeespiegel en vestigden jager-verzamelaars volken zich aan de kust voor visvangst.
Zo'n 1500 jaar geleden kwam de maïsteelt tot ontwikkeling. De maïs moest gezaaid en geoogst worden. Dat heeft er voor gezorgd dat volken zich gingen vestigen op plaatsen en dus niet meer rondtrokken. Er waren wel nog nomadenvolken, maar minder dan vroeger. Er ontstonden uitgebreide handelsnetwerken tussen stammen. Meestal niet tussen twee ´landbouwstammen´. Maar tussen jagers en landbouwers, zodat elk verschillend voedsel kregen dat ze zelf niet hadden.

Op de Plains waren nog steeds jagers-verzamelaars die rondtrokken over de wijde vlakten. Ze jaagden op onder andere bizons, konijnen en prairiehoenders. Vooral de bizons waren een grote voedselbron. Maar bizons werden niet alleen gebruikt voor voedselvoorziening. De huid werd gebruikt om kleding en tentendoeken te maken. De botten werden gebruikt om werktuigen van te maken. Alles van het beest werd gebruikt. Een dier werd meestal niet onnodig gedood. Behalve bij de bizons. De bizons werden door een nauwe doorgang gejaagd, naar een rotswand toe. Zo werden ze een ravijn in gejaagd.

Behalve de bizons waren ook de antilopen een belangrijke hulpbron. Deze dieren waren alleen heel erg moeilijk te doden, omdat ze zo snel zijn. Ze konden worden gevangen door vallen. De antilopen waren ook niet alleen een voedselbron, hun horens werden gebruikt voor speciale hoofdtooien. De huiden werden gebruikt om jurken, hemden en beenstukken van te maken.

De indianenstammen waren primitiever dan de bevolking in Europa. Behalve qua uiterlijk(zwarte haren, hoge jukbeenderen, donkere huidskleur) verschilden de stammen echter onderling erg. Er waren verschillende soorten stammen: stammen die leefden van de landbouw en stammen die leefden van de jacht of visvangst, er waren nomaden en stammen met een vaste woonplaats, er waren oorlogszuchtige en vredelievende stammen. En onder al die stammen waren er wel meer dan 600 verschillende indianentalen!

Er was nog een overeenkomst tussen al die stammen. Ze leefden bijvoorbeeld allemaal in harmonie met de natuur. De indianen zagen dieren als hun broeders. Ze geloofden in geesten en goden. Die moesten op goede hand worden gehouden door middel van offers, rituelen en dansen. Er was geen bezit van land. Het land was van iedereen. Er waren voor de komst van de kolonisten geen vuurwapens, paarden, wielen, metaal en alcoholische drank aanwezig in Noord-Amerika. 
De Plains waren uitgestrekte prairies. Een land van zon, wind en gras. Het gebied van de Plains is ongeveer 2.560.000 vierkante kilometer groot.


Op de Plains was er een gevarieerd klimaat. In het zuiden en westen waren er steenwoestijnen door de geringe regenval ontstaan. In het oosten, in de dalen van de Mississippi en de Missouri, was er wel een vochtige omgeving, door meer regen. In die gebieden was lang, welig gras. Iets meer naar het westen was er wat korter gras. Dit was voor veel dieren van de Plains een belangrijke voedselbron.

De huizen van de Plains-indianen waren meestal tipi’s. Die werden gemaakt van bizonhuiden. Ook werden op de Plains af en toe de zogenaamde grondwoningen gebouwd. Dat waren huizen die bestonden uit boomstammen die bedekt waren met grond. Deze huizen hadden een tunnelingang en waren niet zo groot.

In andere delen van Noord-Amerika werden heel andere huizen gebouwd. Bijvoorbeeld de langhuizen, dat waren huizen die van palen waren gemaakt. In één zo’n huis woonden dan een aantal gezinnen. In het midden was er een pad. En aan de zijkanten had elke familie een stukje om te slapen en te eten. In het midden waren ook vuurplaatsen, daarboven waren dan gaten waar de rook doorheen kon. Aan de uiteinden van de langhuizen waren twee uitgangen.

 De indianen hadden een heel ander geloof dan de Europese kolonisten. Ze hadden allerlei speciale rituelen en gebruiken. Een veel komend concept was dat van de drie parallelle werelden. De aarde dreef op een meer. Onder dat meer waren machtige geesten die heersten over alle dieren en planten op de aarde en in het water. Dit was de onderwereld.

Boven de aarde lag de bovenwereld. Daar waren vergelijkbare geesten als in de onderwereld. Tot de machtigste geesten hoorden bijvoorbeeld de Dondervogels, die zorgden voor bliksem en donder. Ook de zon en de maan waren geesten.

Deze site wordt nog gemaakt, dus de informatie is nog niet compleet. Of klopt niet helemaal. Excuses voor het ongemak.